|
|
|
For the Love of God
|
Het is een curieus en bizar toeval. Net nu de wereld kampt met de ernstigste kredietcrisis sinds de Tweede Wereldoorlog, exposeert het Rijksmuseum (t/m 16 december) het (zelf)portret van het kapitalisme, een met 8601 diamanten ingelegd platina afgietsel van een menselijke schedel. De Britse kunstenaar Damien Hirst gaf het de intrigerende titel ‘For the Love of God’. Voor het object is als moedervorm de schedel met een opvallend mooi gebit van een 35-jarige man uit de 18de eeuw gebruikt. Het rangschikken van de edelstenen vergde een jaar. De productiekosten, inclusief materiaal, bedroegen 17 miljoen euro. In 2007 werd het kunstwerk voor 62 miljoen verworven door een investeringsmaatschappij, een record voor een levende kunstenaar. Hirst is overigens partner in deze onderneming, waaruit blijkt dat hij niet alleen een meester is in de creatie van kunst maar ook in de manipulatie van geld, een kwaliteit die tot voor kort voorbehouden was aan overheden, het bankwezen, multinationals en vastgoedbonzen. Vooral tijdens de eerste dagen van de tentoonstelling stonden de bezoekers in rijen voor het museum om iets te zien dat nog niet eerder was vertoond.
Die mensen stonden daar natuurlijk niet voor de kunst. Zij werden gedreven door dezelfde kennelijk onweerstaanbare nieuwsgierigheid waarmee men vroeger naar de kermis ging om de vrouw met de drie borsten te zien. Voor het eerst in zijn geschiedenis verkeert het Rijksmuseum, ooit de tempel van Rembrandt, in de greep van het populisme. Het speelt in op instincten die onder een groot publiek leven, zoals sommige kranten zich bij de selectie van artikelen voor hun voorpagina laten leiden door de interessepatronen van de man in de straat. De cultuur wordt onder de voet gelopen door de tijdgeest.
‘For the Love of God’ roept vragen op, niet in de laatste plaats over de identiteit van het object als kunstwerk. In de beeldende kunst gaat het sinds het begin van de vorige eeuw niet of niet alleen om het scheppen van schoonheid. Hoge kunst tast grenzen af, wil die zo nodig overschrijden. Dat is zonder twijfel een doelstelling van Damien Hirst. Ik ken zijn werk sinds 1990 en vond het direct intrigerend, vooral zijn bizarre referenties aan de dood zoals die gestalte krijgen in zijn, in stukken gesneden, haaien in formaldehyde. Rauw werk dat een schok teweegbracht in de internationale kunstwereld. Dat was het begin van een carrière die inmiddels een bedrijfsmatige aanpak heeft gekregen. De kunstenaar heeft 180 mensen in dienst die zijn ontwerpen in meervoud produceren. Dat leidt soms ook tot missers, zoals de protserige kruiswegstaties die hij een paar jaar geleden exposeerde in de Hallen in Haarlem.
Rudi Fuchs karakteriseert ‘For the Love of God’ als ‘het schitterende aangezicht van de dood’. Met die romantische definitie verstrekt hij aan het werk, dat niet alleen schittert maar ook luguber is, een universele allure. Of het die werkelijk heeft, is twijfelachtig. Het is het portret van het kapitalisme, ondanks of juist door die 8601 diamanten niet gespeend van kleinburgerlijkheid. Wie het in het Rijksmuseum wil zien, moet door een detectiepoortje, zoals op Schiphol of in supermarkten. Het is een hele geruststelling dat dit nu ook nodig is om Gods liefde te verwerven.
Jan Harmen
|
|